Historie en ontwikkeling

Waarschijnlijk reikte, voordat de dijken er waren, de zee sommige jaren net tot aan het Stadspark en ligt er hier daarom een grensgebied van moerige grond op ongerijpte klei en veen op klei. Een veenlaag die naar het zuiden toe snel dikker wordt. Vroeger was dit dan ook een elzenbroekbos met zwarte els, berk, boswilg, schietwilg, witte abeel en es. Door de katteklei zal de onderbegroeiing hier soortenarm zijn geweest, met heel veel riet, pitrus en liesgras. Naarmate zich meer veen vormt zal de soortenrijkdom toenemen. Hier en daar zijn er in het Stadspark nog wel kleine stukjes elzenbroekbos te vinden. Toen dit deel rond 1960 aan het oude stadspark werd toegevoegd is het veelal opgehoogd met ongerijpte klei en is er veel bosplantsoen aangeplant. Rond 1970 werd dit gebied als botanische tuin ingericht, is de vijver gegraven en is er een laag tuinaarde op aangebracht, doch deze is nu weer geheel weggegraven.

Het halfnatuurlijke bosplantsoen

Behalve de hierboven genoemde boom- en struiksoorten bestaat het huidige bosplantsoen (aangeplant in ± 1960) verder nog uit opvallend veel haagbeuk (van verschillende leeftijd) en Europese vogelkers (sommige jaren door de rups van de stippelmot helemaal kaal en met een zilveren web bedekt), zomereik, gewone- en veldesdoorn, enkele linden, hazelaar, eenstijlige meidoorn, lijsterbes (veel last van honingzwam), Amerikaans (Drents) krentenboompje, Gelderse roos, gewone vlier en vrij veel tros(berg)vlier (zie foto), weinig sleedoorn, kardinaalsmuts, vuilboompje en één oude knoert van een wegedoorn. Deze laatste drie soorten zijn ook met drie tot vijf stuks bijgeplant. Amerikaanse vogelkers hebben we tot drie exemplaren beperkt. Vlakbij de open plek staan nog wat zoete kersen met kaarsrechte stammen en alleen helemaal bovenin takken. Her en der staan jonge exemplaren. Opvallend is dat tussenliggende jaren ontbreken. Dit geldt voor meer soorten onder andere kardinaalsmuts, krentenboompje en Gelderse roos. De oudere iepen zijn intussen allemaal dood door de iepenziekte. Er is wel weer (veld)iepenopschot. Solitair staan er nog een paar beuken.
Braam, framboos en prachtframboos houden we in de hand. Hondsroos en veelbloemige roos staan her en der. Cornus stolonifera een woekerende kornoeljesoort (stolonifera betekent uitlopers vormend) zijn we nog steeds sterk aan het terugdringen.
Klim- en slingerplanten: klimop zijn we succesvol aan het terugdringen, waarbij we ook zeker voldoende laten staan want hij heeft een hoge ecologische waarde voor insekten en vogels. Ook de hop is goed vertegenwoordigd. Kamperfoelie (zie foto) ben ik veel aan het uitzetten. Bosrank is nog steeds niet gelukt en er staat één vrouwelijke heggenrank.

Er is veel bosplantsoen met wat versnipperde stukken en ook nog vrij veel solitaire bomen en groepjes oude grote struiken. Daardoor zijn er maar weinig plekken met veel zon. We proberen gefaseerd meer licht, ruimte en doorkijken te maken. Het creëren van een duidelijke zoom (een ruigtekruidlaag), mantel (een struiklaag) en bossituatie is slechts zeer beperkt mogelijk.
grondlagen
trosvlier
kamperfoelie
volgende bladzijde
foto: een afgegraven pad met van boven naar onder een laag sintels, dertig centimeter dekzand, het oranje laagje is ijzer (roest) bovenop de blauwe klei
tros(berg)vlier
kamperfoelie
een detailfoto van de vijver met de olieachtige vlekken veroorzaakt door een bacterie dit is een duidelijk kenmerk van kwelwater.
zie ook foto's gebieden: de vijver.